
Zes
dagen uit het leven van een gangster uit Soweto. In mindere
handen een sentimentele draak maar in Tsotsi is het een
scherp gesneden verhaal.
"Iedere
man heeft een naam", zegt zijn vriend Boston tegen
Tsotsi. Tsotsi betekent boef, rotzak, en Boston wil van
hem weten wat zijn echte naam is. Maar Tsotsi praat alleen
met zijn vuisten en door de loop van een pistool. Hij
heeft geen antwoord want een naam betekent menselijkheid,
een identiteit en die is hij kwijtgeraakt door alle ellende
en geweld. Hij slaat zijn vriend tegen de grond en rent
weg. Die nacht schiet hij ergens in suburbia achteloos
een vrouw neer en steelt haar auto. Een paar kilometer
verderop kijkt hij achterom en vindt op de achterbank
een baby.
De ellende in het township rond Johannesburg is zo alomtegenwoordig
dat niets verrast maar ook niets cliché is. Dat
Tsotsi's moeder besmet is met aids, dat iedereen in een
flits kan worden omgelegd, dat zelfs kinderen jonger dan
tien jaar in bendes over het terrein zwerven en mensen
bedreigen, alles gebeurt. Sterker nog: elke film over
de townships zal de realiteit terug moeten brengen tot
behapbare porties.
Maar de baby is wel een kleine verrassing. De baby moet
overleven en de zorg voor het kind dwingt Tsotsi om menselijker
te worden (hier is de film net even zachter dan de realiteit).
Plotseling is hij afhankelijk van anderen, vooral van
Miriam (Terry Pheto), een alleenstaande moeder in Soweto
die hij eerst met zijn pistool dwingt borstvoeding te
geven maar waarmee langzaam een nieuwe vriendschap ontstaat.
De ontknoping komt niet onverwacht maar de manier waarop
het verhaal zich naar het eind beweegt, is vakwerk. Het
geweld verdwijnt nooit uit de gedachten van de kijker.
Er blijft een constante dreiging die de baby, waar het
verhaal tenslotte om draait, steeds naar de achtergrond
dringt.
Kwaito-muziek
Tsotsi figureert naast Paradise now in de 'line up' voor
een Oscar voor Beste Buitenlandse Film en het moet gezegd
dat deze film met zijn conventionele verhaallijn een veilige,
meer traditionele keuze is nu een Israëlische lobby
koste wat kost probeert te voorkomen dat Paradise now
een 'Palestijnse film' wordt genoemd. (Inderdaad, ik sleep
er een persoonlijke ergernis met de haren bij.)
Toch kan Tsotsi de prijs ook op eigen kracht binnenhalen.
Het verhaal - naar het gelijknamige boek van de Zuid-Afrikaanse
toneelschrijver Athol Fugard uit 1959 - is dan misschien
weinig radicaal, regisseur Gavin Hood (A reasonable man)
en de twee hoofdrolspelers houden de film strak in toom.
Nergens übersentiment, zelfs bijna nergens sentiment
en dat is altijd lastig met een baby als hoofdpersoon.
Maar ook nergens te veel politiek, en ook dat verrast.
Vooral beginneling Presley Chweneyagae acteert erg goed,
eerst als een verbitterde en gevoelloze gangster en dan
als een jongen die beseft dat hij zichzelf en anderen
kan redden van de ondergang. En dat alles met minimale
uitdrukkingen en bewegingen.
Andere pluspunten: de Zuid-Afrikaanse Kwaito-muziek kan
direct naar cd en de beelden van cameraman Lance Gewer
geven vooral in het begin prachtige, bruingekleurde panorama's
van Soweto. Maar ook hier niets te veel.
Ronald Rovers
Zuid-Afrika,
2005
Productie: Peter Fudakowski
Regie en scenario: Gavin Hood
Camera: Lance Gewer
Montage: Megan Gill
Muziek: Paul Hepker, Mark Kilian, Vusi Mahlasela
Met: Presley Chweneyagae, Mothusi Magano, Terry Pheto,
Zenzo Ngqobe
Kleur, 94 minuten
Distributie: Moonlight Films
Te zien: vanaf 9 maart